Kennisbank / Prompten

25 promptvoorbeelden voor op het werk

Hieronder vind je 25 promptvoorbeelden die je direct kunt gebruiken. Vervang de tekst tussen [haken] door je eigen situatie en deel geen vertrouwelijke of persoonlijke gegevens zonder dat dat is toegestaan.

Door Sander van Son · 2 min lezen

E-mail en communicatie

  1. “Schrijf een vriendelijke herinnering aan [ontvanger] over [onderwerp]. Kort, zonder verwijtende toon.”
  2. “Herschrijf deze e-mail zodat hij duidelijker en korter is, met de actie bovenaan: [tekst].”
  3. “Geef drie mogelijke onderwerpregels voor deze e-mail: [tekst].”
  4. “Schrijf een beleefde afwijzing op [verzoek], met een alternatief: [alternatief].”
  5. “Maak van deze aantekeningen een nette update voor het team: [aantekeningen].”

Vergaderen

  1. “Maak een agenda voor een overleg van 45 minuten over [onderwerp] met als doel [doel].”
  2. “Welke vragen kan ik stellen in een gesprek met [rol] over [onderwerp]?”
  3. “Zet deze notulen om in besluiten en actiepunten met eigenaar en deadline: [notulen].”
  4. “Vat dit verslag samen in vijf punten voor collega’s die er niet bij waren: [tekst].”

Schrijven en redigeren

  1. “Maak een opzet met kopjes voor een [document] over [onderwerp] voor [doelgroep].”
  2. “Herschrijf deze tekst op B1-niveau: [tekst].”
  3. “Controleer deze tekst op onduidelijke zinnen en stel verbeteringen voor, zonder de inhoud te veranderen: [tekst].”
  4. “Schrijf een korte introductie voor [product/dienst] voor [doelgroep], met nadruk op [voordeel].”
  5. “Maak van deze lange tekst een samenvatting van maximaal 100 woorden: [tekst].”

Plannen en organiseren

  1. “Maak een stappenplan voor [project] met fases, taken en een realistische planning over [periode].”
  2. “Help mij prioriteren: dit zijn mijn taken voor deze week: [lijst]. Wat pak ik eerst op en waarom?”
  3. “Welke risico’s zie je bij dit plan en hoe kan ik ze verkleinen? [plan]”
  4. “Maak een checklist voor [terugkerende taak].”

Analyseren en beslissen

  1. “Zet de voor- en nadelen van [optie A] en [optie B] naast elkaar in een tabel.”
  2. “Welke vragen moet ik beantwoorden voordat ik besluit over [onderwerp]?”
  3. “Wat valt op in deze gegevens? Noem ook wat je niet kunt concluderen: [gegevens].”
  4. “Speel advocaat van de duivel: wat zijn de sterkste tegenargumenten tegen dit voorstel? [voorstel]”

Leren

  1. “Leg [begrip] uit alsof ik er nog nooit van gehoord heb, met een voorbeeld uit [vakgebied].”
  2. “Stel mij vijf vragen om te testen of ik [onderwerp] goed begrijp.”
  3. “Maak een leerplan van vier weken om [vaardigheid] te leren, met een uur per week.”

Meer uit de kennisbank

Alle onderwerpen in de kennisbank →